|
Na New South Wales ontstonden aan het begin van de 19de eeuw
verschillende nieuwe kolonies. Daarbij speelde niet altijd het inzicht van
de eerste kolonisten een rol, maar waren invloeden van buitenaf veelal van
doorslaggevende betekenis. Zo stichtten de Engelsen op de plaats van het
huidige Hobart op het eiland Tasmanië pas een militair steunpunt toen in
1803 Franse schepen al voor de kusten kruisten. Tasmanië, door de Hollandse ontdekkingsreiziger Abel Tasman in 1642
Van Diemensland genoemd, bood de beste vooruitzichten voor winstgevende
akkerbouw. Dus werden al snel veroordeelden en vrije kolonisten uit New
South Wales naar het eiland gestuurd. Met de gevangenen ging men echter zo
hardhandig om, dat velen na korte tijd stierven. De ruïnes van Port
Arthur herinneren aan deze verschrikkelijke tijd. Het feit dat het leger
de Aboriginals nog veel harder behandelde is op veel plaatsen allang
vergeten. De oorspronkelijke bewoners moesten worden uitgeroeid - een doel
dat men na enkele jaren reeds had bereikt. De geografische afzondering,
waardoor de controle door Sydney en zeker door Londen bemoeilijkt werd,
kan nauwelijks als verontschuldiging voor de wreedheden worden aangevoerd.
In 1825 werd Van Diemensland van New South Wales afgescheiden en Hobart
tot hoofdstad verklaard. Kolonel G. Arthur werd de eerste gouverneur. Pas
in 1856 kreeg de kolonie haar huidige naam Tasmanië, als eerbewijs voor
de ontdekker.
Na Tasmanië was Queensland de volgende kolonie die werd gesticht. Waar
zich tegenwoordig Brisbane uitstrekt, lag in 1824 een strafkolonie. De
begintijd werd door een droogteperiode bemoeilijkt, wat vooral de paar
vrije boeren onder de kolonisten trof. De wolhandel liep niet zoals was
verwacht, maar men sloeg zich erdoorheen. Queensland bleef lange tijd
onderdeel van New South Wales. Het werd pas in 1859
"onafhankelijk" en kreeg toen, ter ere van koningin Victoria, de
huidige naam.
Ook bij de stichting van Western Australia speelde de Britse angst voor
de Fransen een doorslaggevende rol. Zo nam kapitein Fremantle in 1829 de
geheIe westkust voor de Britse kroon in bezit. Er volgden 400 vrijwillige
kolonisten, die huis en haard in Engeland hadden verkocht. Bij hun
aankomst stelden zij echter vast dat het thuis geschetste beeld niet
overeenkwam met de werkelijkheid: het land was droog- en onvruchtbaar.
Bovendien was er een gebrek aan landarbeiders en moest al snel graan uit
Van Diemensland worden geïmporteerd. Toen de situatie zich na verdere
magere jaren niet wijzigde, zag men zich uiteindelijk genoodzaakt de
regering in Engeland te vragen om dwangarbeiders te sturen die het land
moesten bewerken.
South Australia werd ook gesticht door vrije kolonisten, maar het idee
voor de stichting ontstond op een plek die geheel in overeenstemming was
met de Australische traditie: namelijk in een gevangenis. In het verre
Londen zat Edward G. Wakefield wegens het verleiden van een minderjarig
meisje achter de tralies en dacht na over een mogelijke toekomst in
Australië. Hij bedacht het idee dat de grond in de kolonie vanuit
Engeland aan vrije kolonisten moest worden verkocht, bij voorkeur aan
pasgetrouwde stellen. Met het geld dat de verkoop van de grond opbracht,
wilde hij de overtocht van werkwilligen betalen. Een briljante inval die,
toen de bedenker ervan uit de gevangenis kwam, snel aanhangers vond. In
1834 werd het idee, in enigszins gewijzigde vorm, als South Australia
Act door het parlement in Londen aangenomen.
In 1836 kwamen de eerste immigranten aan in South Australia. Door een
omslachtig en veel te traag systeem van landverdeling werd binnen korte
tijd op grote schaal met de grond gespeculeerd. Hierdoor raakten veel van
de nieuwe kolonisten hun spaargeld kwijt en werden enkele anderen in korte
tijd rijke grondbezitters. Aan deze misstanden wist pas gouverneur
Geoffrey Gawler een einde te maken. Hij bespoedigde het systeem van
landverdeling, om ook het kiezen van een vestigingsplaats verder weg van
Adelaide te stimuleren, en liet tegelijkertijd een uitgebreid wegennet
aanleggen. Deze politiek had weliswaar succes, maar doordat Gawler langs
de nieuw aangelegde wegen direct indrukwekkende gebouwen liet neerzetten,
bleef er een lege schatkist achter. Zijn opvolger werd daardoor gedwongen
drastische bezuinigingsmaatregelen te nemen die tot werkloosheid en
economische malaise leidden. Pas met de ontdekking van kopererts in
Kapunda en Burra Burra leefde de economie weer op.
Uit Engeland en Duitsland immigreerden talrijke leden van religieuze
minderheden naar South Australia, waar vrijheid van godsdienst al in de
stichtingsakte was opgenomen. De Duitsers, behorend tot de oud-lutherse
kerk, kwamen met hele dorpsgemeenschappen tegelijk aan onder leiding van
de dominee en leefden hier van de groente- en wijnteelt. In de Barossa
Valley (ten noorden van Adelaide) is de "bienenstich" (een soort
gebak) nog steeds een bekend plaatselijk gerecht.
Minder voorspoedig verliep de stichting van de kolonie Victoria. De
eerste kolonisten, die zich al in 1803 bij Port Phillip Baai hadden
gevestigd, hielden het al na korte tijd voor gezien. Zij zochten en vonden
hun geluk op het nabijgelegen eiland Tasmanië. Pas in 1835 waagden de
kolonisten John Pascoe Fawkner en John Batman een tweede, geslaagde
poging. In 1837 werd de stad Melbourne en in 1851 uiteindelijk Victoria
gesticht. Maar er gebeurde iets anders waardoor nog in hetzelfde jaar de
nieuwe kolonie over de hele wereld in het middelpunt van de belangstelling
kwam te staan.
De Australische goldrush kwam in 1851 als een
donderslag bij heldere hemel. Het begon allemaal in de plaats Ophir in New
South Wales. De goudkoorts had zulke ingrijpende gevolgen voor Australië,
dat van een volledig nieuw tijdperk kan worden gesproken. Een man genaamd
Edward Hargraves, die net van de Californische goudvelden was
teruggekeerd, bracht de goudkoorts op gang. Hij zag met zijn ervaren blik
waar het goud te vinden was. Zodra het bericht van een nieuwe vondst
bekend werd, zette zich een schare goudzoekers, de diggers, in
beweging. Het goud werd vooral in Ballarat, Castlemaine, Bendigo in
Victoria en later ook in Queensland en Western Australia gevonden.
Dagelijks voerden schepen nieuwe diggers aan vanuit Engeland,
het Europese vasteland, Amerika en China. Zij leefden in tentenkampen rond
de vindplaatsen en stichtten talrijke nieuwe dorpen. Avonturiers stroomden
nu toe naar het Australische continent en in hun kielzog volgden dames van
lichte zeden.
De Engelse regering maakte een einde aan de gevangenen transporten,
want sinds de hele wereld van Australië droomde, was het geen straf meer
om daarheen te worden gestuurd. De ruwe gouddelvers verdienden veel geld
voor hun nieuwe vaderland en om die reden wilden zij in de politiek en in
het openbare leven een woordje meespreken. De koloniale regering echter
zag in hen slechts een bron van inkomsten: conflicten bleven dan ook niet
uit. Toen de regering de belasting op goudvondsten wilde verhogen, kwam
het in Eureka tot gevechten met de plaatselijke politie. Ook al dolven de
diggers hier het onderspit, de overheid moest uiteindelijk bakzeil halen.
De goudzoekers kregen het recht op inspraak en zo begon met de goudkoorts
de democratisering van Australië. Alleen de Chinezen, die ook in groten
getale de lokroep van het goud waren gevolgd, hadden nog lange tijd te
kampen met vooroordelen en racisme.
De zes kolonies bloeiden op. De met de goudkoorts samenhangende
welvaart en de groei van de bevolking zorgden dat de economie van het land
inderdaad een gouden tijd beleefde. Nu werd het feit dat het continent in
aparte kolonies was opgedeeld steeds lastiger omdat het de economische
groei aan banden legde. Zo hadden de zes staten aparte posterijen, hieven
wederzijds hoge tol en zelfs de treinen hadden verschillende
spoorbreedten. Vooral ondernemers voelden zich daardoor belemmerd en
eisten de economische eenwording van de kolonies. De arbeiders van hun
kant verenigden zich in de Australian Labor Federation, waaruit de huidige
Labor Party ontstond.
Deze drang tot eenwording kwam de Engelsen zeer gelegen, omdat zij zich
zorgen maakten om de militaire verdediging van Australië en deze slechts
in een verenigd Australië voor mogelijk hielden. De premier van New South
Wales, Henry Parkes, zei uiteindelijk wat iedereen dacht: "Er moet
een verenigd Australië komen!". Vervolgens werd in 1898 en 1899 in
twee referendums over een grondwet gestemd. De grondwetgevende vergadering
werkte kortstondig in Melbourne. Maar omdat Sydney en Melbourne onderling
om de status van hoofdstad streden, werd besloten tot een compromis: het
parlement moest halverwege tussen de beide steden zetelen. Dat betekende
de geboorte van de tegenwoordige hoofdstad Canberra. In 1900 werd de
grondwet in het Britse Lagerhuis behandeld en door koningin Victoria
ondertekend.
Op 1 januari 1901 was de Commonwealth of Australia een feit.
Australië was nu één staat geworden. De eerste minister-president
heette Edmund Barton. Ondertussen was reeds meer dan 80 procent van de
inwoners in het land zelf geboren en had zich een gemeenschappelijk "Australië-gevoel"
ontwikkeld. Verdere immigratie werd weliswaar gesteund, zodat Australië
voor de Eerste-Wereldoorlog vijf miljoen inwoners telde, maar men wilde
desondanks "onder elkaar" blijven. Het parlement nam een wet
aan, de beroemde White Australia Policy, die vooral de immigratie
van Aziaten tegenging. Ook minder geliefde Europeanen werden afgeschrikt:
zo waren bijvoorbeeld katholieken niet zo gewild als protestanten.
Bijzonder ongewenste immigranten moesten een dictee als spellingstest
maken. De truc daarbij was dat de test in elke willekeurige Europese taal
kon worden gehouden.
In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog begon de pijlsnelle opkomst van
de Labor Party, die in 1910 aan de macht was gekomen. De partij had de
sterke vakbonden achter zich en is sindsdien niet meer weg te denken uit
de Australische politiek. Economisch floreerde het land en als symbool van
het nieuwe zelfbewustzijn werd ijverig gebouwd aan de hoofdstad Canberra,
die op 300 km van Sydney ontstond.
Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog was Australië bereid
om Groot Brittannië te helpen in de oorlog met Duitsland. Vrijwilligers
stroomden naar de grote steden en meldden zich bij de kazernes. De
Australische deelname aan de oorlog begon met de bezetting van de
toenmalige Duitse kolonie Oost-Nieuw-Guinea. Daarna hielp men het Britse
imperium in Europa te verdedigen. Turkije stond aan de kant van Duitsland
en bedreigde het Britse overwicht bij het Suez-kanaal. Hier grepen
Australiërs en Nieuw-Zeelanders samen in. De ANZAC-troepen (Australia
and New Zealand Army Corps) werden echter door de erbarmelijk
slechte planning van de Engelse staf en door de numerieke overmacht van de
Turken vernietigend verslagen aan de Dardanellen. Het bloedbad ging de
Australische geschiedenis in als de Slag bij Gallipoli. Op dit stoffige
slagveld, ver weg van huis, ondervonden de Australiërs voor de eerste
maal in hun geschiedenis dat de belangen van Engeland niet altijd ook de
hunne waren. Tegenwoordig wordt deze ontdekking van destijds aangeduid als
Birth of a Nation.
De slechte berichten drongen door tot het verre vaderland en het aantal
vrijwillige aanmeldingen liep snel terug, temeer daar men ook van het
front in Frankrijk niet veel goeds hoorde. William Hughes, de Australische
premier, wilde daarop de algemene dienstplicht invoeren, wat voor veel
opschudding onder de bevolking zorgde. De Labor Party steunde Hughes niet
en keerde zich grotendeels tegen de invoering van de dienstplicht. "Little
Digger" Hughes trad daarna uit de Labor Party en richtte de National
Party op, die snel het vertrouwen van de bevolking won. Aan de kant van de
Labor Party stonden de katholieken, voor het merendeel Ierse en Schotse
arbeiders, die zich minder verbonden voelden met het Britse imperium en er
ook niet langer voor wilden vechten. In twee referendums sprak de
bevolking zich ten slotte uit tegen de invoering van de algemene
dienstplicht.
Australië had bij de loopgravenoorlog in Frankrijk in totaal 60.000
doden en 150.000 gewonden te betreuren. Hughes reisde naar de
vredesbesprekingen in Versailles. Hij liet zich niet intimideren door de
grootmachten en verdedigde met zijn luidruchtige en onbehouwen manier van
doen de Australische belangen met succes: volledige vergoeding van de
kosten van de oorlog, spoedige terugkeer van de gevangenen en
Oost-Nieuw-Guinea voor Australië. De oude ijzervreter werkte op de
zenuwen van de zegevierende mogendheden en men zag bij volgende
conferenties af van zijn aanwezigheid maar thuis werd Hughes als een held
bejubeld.
In de jaren twintig braken er weer voorspoedige tijden aan in
Australië. Een grote immigratiegolf vanuit Italië kwam op gang. De
Italianen die de armoede in hun land wilden ontvluchten, verbouwden
groente en fruit in Victoria en oogstten suikerriet onder de verzengende
zon van Queensland. In de steden bruiste het van leven. In de winkels
lagen luxe-artikelen uit Europa en het culturele leven bloeide. Om ook de
arbeiders van deze welvaart te laten profiteren, streden de vakbonden voor
de 44-urige werkweek. Met algemeen enthousiasme werd het nieuwe parlement
in Canberra geopend. Maar het land leefde boven zijn stand. Twee dagen
voor "Zwarte Vrijdag", de 24ste oktober 1929, de dag waarop de
beurs van Wall Street ineenstortte, loste de Labor Party de Country Party
in de regering af en trof tot haar verbijstering een lege schatkist aan.
Door de internationale economische crisis stortte de Australische
export in. De jaren dertig werden, net als bijna overal elders in de
wereld, ook voor Australië een sombere tijd. De prijzen van wol en graan,
de pijlers van de Australische export, daalden en werkloosheid was het
gevolg. Uitgerekend nu verbleef de minister van Financiën maandenlang in
Londen, om aan conferenties deel te nemen die gelijke rechten voor het
moederland Groot-Brittannië en de Commonwealth-landen tot stand moesten
brengen.
Toen de minister-president in 1932 de Sydney Harbour Bridge officieel
wilde openen, kwam een man te paard op hem af galopperen, die het
openingslint met een houw van zijn sabel doorsneed. De paardrijder was lid
van een kleine groep van Hitler-aanhangers, die in het fascisme een
oplossing voor de economische ellende zagen. De officiële politiek van
Australië ten opzichte van het dreigende gevaar van het
nationaal-socialisme werd voornamelijk bepaald door de gedachte dat als
men Hitler maar niet zou tergen hij geen kwaad zou doen. Het uiterst brute
optreden van de Japanners in China riep meer verontwaardiging op bij de
Australische politici. Tenslotte lag dit conflict in zekere zin
"naast de deur".
In september 1939 verklaarde Engeland opnieuw de oorlog aan
Duitsland. De premier Sir Robert Menzies maakte in een toespraak aan de
bevolking duidelijk dat Australië daardoor ook bij de oorlog betrokken
was. Het land was echter totaal niet voorbereid op een oorlog. De marine
bestond uit slechts twee kruisers en de vliegtuigen van de luchtmacht
waren volledig verouderd. De industrie schakelde daarom zo snel mogelijk
over op de wapenproductie. Binnen zeer korte tijd vochten er Australiërs
in Noord-Afrika, in het Middellandse Zee gebied en in Griekenland. Tot op
de dag van vandaag zijn de dappere Rats of Tobruk beroemd, die in
Noord-Afrika het Duitse korps bestreden, dat onder leiding stond van
veldmaarschalk Rommel.
Maar wie verdedigde Australië? Na de aanval op Pearl Harbour in
december 1941 vond de oorlog niet alleen in Europa, maar ook in de Grote
Oceaan plaats. De Japanners vernietigden met een snelle aanval de Britse
schepen in Singapore en namen Hongkong in. Engeland reageerde niet en zo
waarde ook in Australië de angst voor een Japanse bezetting rond. Premier
Curtin van de Labor Party, die in 1941 aan de macht was gekomen, voelde
zich door de Engelsen in de steek gelaten en wendde zich in nood tot de
Verenigde Staten. De angst van de Australiërs voor de sterke tegenstander
Japan bereikte een hoogtepunt toen in februari 1942 Japanse bommenwerpers
de stad Darwin in de as legden. De Amerikaanse opperbevelheer generaal
Douglas MacArthur nam daarop de bescherming van Australië op zich en de
Australische troepen vochten als tegenprestatie in de door muskieten
geteisterde oerwouden van Nieuw-Guinea. Pas na grote verliezen konden de
Japanners worden teruggedrongen. De Tweede Wereldoorlog veranderde ook het
dagelijks leven van de thuisblijvers. Men had te maken met hoge
oorlogsbelastingen en vele elementaire levensbehoeften, zoals thee en
benzine, moesten op de bon. Toen op 15 augustus 1945 de oorlog ten einde
was, haalde men ook in Australië weer opgelucht adem.
Het land had zijn les uit de afgelopen oorlog geleerd: op het gebied
van de buitenlandse politiek wilde het in de toekomst de Verenigde Staten
volgen en het contact met de buurlanden verbeteren. De strenge
immigratieregels werden vooral voor Europeanen versoepeld. Premier Joseph
B. Chifley stelde een ministerie van Immigratie in, dat mensen uit alle
delen van Europa moest werven. Ook de strenge bepalingen ten gunste van
Engelse protestanten werden opgeheven.
Nog tweemaal dwongen verplichtingen op het gebied van de buitenlandse
politiek deelname aan een oorlog af. in 1950 aan de oorlog in Korea en in
1963 aan de oorlog in Vietnam. De dienstplichtigen werden daarbij door het
lot aangewezen. Deze selectiemethode verhitte net als eerder in de Eerste
Wereldoorlog de gemoederen. In het hele land protesteerden studenten tegen
de deelname aan de oorlog.
In de boring fifties, de saaie jaren vijftig, was Australië een
zuivere mannenmaatschappij. Onbehouwen mannen van Angelsaksische afkomst
bepaalden het beeld. Men werkte hard en ging daarna naar de pub, waar
mannen en vrouwen in aparte ruimten zaten: vrouwen in de ladies
lounges, mannen aan de bar. Vrouwen hoorden niet thuis in het openbare
leven, zij moesten voor het huishouden en de kinderen zorgen. Aboriginals
en Aziaten golden als tweederangs burgers. net als alle andere
niet-Angelsaksen. In de winkels was er weinig keus, men at witbrood, fish
and chips en steak, geheel naar het Engelse voorbeeld.
De grote koerswijziging, die zich al na de Tweede Wereldoorlog begon af
te tekenen, kwam pas in de jaren zeventig met Gough Whitlam. In 1972 werd
deze Laborpoliticus minister-president en direct waaide er een andere
wind, die stoffige opvattingen en verouderde wetten opruimde. Whitlam
maakte een einde aan het racisme dat tot dat moment zijn stempel had
gedrukt op de binnen- en buitenlandse politiek van Australië. De
Aboriginals kregen zelfbeschikkingsrecht. Land Councils gingen
plaatsen die voor de Aboriginals van religieuze betekenis waren,
terugvorderen en onder monumentenzorg plaatsen. De kolonie Papua
Nieuw-Guinea werd onafhankelijk, de betrekkingen met Azië werden
verbeterd en die met de communistische landen voor het eerst aangeknoopt.
Immigranten uit alle delen van de wereld vestigden zich in Australië
en verlevendigden het straatbeeld door uitingen van hun eigen cultuur.
Multi culturalism was het begrip waarmee deze veelzijdigheid in de wet
werd verankerd. Vrouwen werden actief op het gebied van gelijke rechten:
een van hun beroemde vertegenwoordigsters was Germaine Greer.
Het land leefde op, ook cultureel: in 1973 kreeg Patrick White als
eerste Australiër de Nobelprijs voor literatuur. Zijn bekendste boek Voss
verhaalt van de Duitse immigrant Ludwig Leichardt, een eerzuchtig
ontdekkingsreiziger die niet terugkeerde van zijn expeditie naar de
binnenlanden. In 1973 werd ook de beroemde Opera van Sydney ingewijd.
Een opwindende tijd - maar opnieuw gaf men geld uit dat men niet had.
Whitlam leende in het geheim oliedollars, wat al snel bekend werd en een
politiek schandaal veroorzaakte. Vertegenwoordigers van het bedrijfsleven
smeedden een complot om Whitlam ten val te brengen. Een handelwijze die in
Australië nog steeds ernstig ter discussie staat: de gouverneur-generaal,
de hoogste vertegenwoordiger van Engeland in Australië, maakte gebruik
van het uit oude tijden stammende vetorecht van Engeland en zette Whitlam
onverwijld af.
Malcolm Fraser, de opvolger uit de conservatieve Liberal Party, deed
pogingen om de hoge inflatie te verminderen, maar de kosten van
levensonderhoud stegen onstuitbaar. In 1983 kwam Robert "Bob"
Hawke van de Labor Party aan de macht, een echte mate, een
voormalig vakbondsman die vooral uitblonk in consensus-politiek. Als goed
Australisch politicus permitteerde hij zich weliswaar ook een paar
schandalen (zo stond hij bij Verenigde Staten toe om in Australië
raketten te testen), maar de open multiculturele politiek uit de jaren
zeventig werd voortgezet.
Toen Australië in 1988 de 200ste verjaardag van de blanke kolonisatie
vierde, werd koningin Elisabeth II bij de opening van het nieuwe
parlementsgebouw door vertegenwoordigers van de Aboriginals begroet. In de
twee eeuwen tussen deze begroeting en de aankomst van James Cook in Botany
Bay is veel gebeurd, maar de problemen in de verhouding tussen Aboriginals
en blanke immigranten zijn nog steeds niet opgelost. Australië zal in de
toekomst de oorspronkelijke bewoners van het continent een menswaardig
levensperspectief moeten bieden.
Hoewel de eerste stappen in deze richting sinds enige jaren worden
gedaan, staan de Aboriginals en de blanke Australiërs nog steeds op
gespannen voet met elkaar. Vooral in de grote steden komt het soms tot
confrontaties. Politici van alle partijen zetten zich echter met steeds
meer overtuiging in voor een rechtvaardige situatie tussen beide
bevolkingsgroepen. Bovendien zorgt de toegenomen immigratie uit Azië
tegenwoordig voor nieuwe etnische spanningen. Daarnaast moet Australië de
geografische afzondering overwinnen om economisch te kunnen overleven. Dit
is alleen mogelijk als het land het contact met de Aziatische buurlanden
verbetert. Voor meer product info.
over Australië, ga naar: |